Ga direct naar de inhoud

Het Decor

Het ontstaan

De Ronde Van Vlaanderen is het geesteskind van Karel Van Wijnendaele. Hij was in de eerste plaats een mislukt renner, maar hij zag dat in en werd supporter van Cyriel Van Hauwaert. Zo ging Karel naar wedstrijden als Parijs-Brussel en Parijs-Roubaix kijken, en hij kwam er danig van onder de indruk. Hij kwam aan de kost als journalist voor enkele regionale bladen.

In 1912 werd hem gevraagd of hij mee het blad Sportwereld wilde oprichten. Ondanks het feit dat de wielersport in het begin van deze eeuw in België in verval was, zag Karel dat wel zitten. De uitbouw van een nationaal blad gaf hem immers een perspectief om een topwedstrijd te organiseren. Zijn grote voorbeeld hierin was Henri Desgrange, de oprichter van de Ronde van Frankrijk. Met Desgrange had Van Wijnendaele overigens geregeld contact.

In 1913 werd dan de eerste Ronde gereden, een helse tocht over 330 km - zo'n grote afstand was in die tijd doodgewoon - barslechte wegen. Van Wijnendaele wou om sentimentele redenen immers noch Gent, noch Brugge, noch de kust, noch het hart van West- en Oost-Vlaanderen overslaan.

De eerste Ronde was alles behalve een succes. Er kwamen amper 37 renners aan de start. Een jaar later in 1914 waren er slechts 10 renners meer, en internationaal stelde de wedstrijd al evenmin iets voor. Tijdens de eerste wereldoorlog kon er van een Ronde organiseren helemaal geen sprake zijn. De Ronde dreigde een doodgeboren kind te worden.

Toch kwam Van Wijnendaele in 1919, het eerste jaar na de oorlog, met een nieuwe Ronde op de proppen. Het parcours was min of meer vergelijkbaar met het huidige. In dat jaar werd ook de Kwaremont voor het eerst in het parcours opgenomen. Toch was ook deze Ronde geen succes. De Franse fietsenconstructeurs, de sponsors van toen, bleven weg uit de Ronde. In 1920 waren ze wel van de partij. De internationale belangstelling voor de Ronde begon langzaam te groeien. In 1923 won Heiri Sutter, een Zwitser, als eerste buitenlander de Ronde.

In België werden ook nog andere wedstrijden georganiseerd, maar bij gebrek aan belangstelling verdwenen ze. Maar de Ronde bleef, dankzij de koppigheid van de inrichters.

De groei

/system/files/62/original/aankomst.jpg?1297289717De Ronde van Vlaanderen werd in de jaren twintig en dertig parallel met de sportkrant Sportwereld een succes, maar dan enkel in België. Aanvankelijk werd de Ronde veertien dagen voor Pasen gereden. De Ronde werd toen dikwijls op dezelfde dag gereden als Milaan-Sanremo, uiteraard bleven dan de beste Italiaanse en ook Franse renners uit de Ronde weg.

In het begin van de jaren dertig werd de Ronde acht dagen later georganiseerd, en werd een week voor Parijs-Roubaix gereden. Op die manier werden de Ronde en Milaan-Sanremo op andere dagen gereden. In 1939 fusioneerde Sportwereld met Het Nieuwsblad dat daarmee de organisatierechten van de Ronde in handen kreeg.

Na de Tweede Wereldoorlog verscheen Het Nieuwsblad-Sportwereld niet meer. Tijdens de oorlog immers verscheen deze krant als noodkrant onder de titel: "Het Algemeen Nieuws-Sportwereld", en dat neigde volgens sommige naar collaboratie. Van Wijnendaele was er bovendien ook in geslaagd van de bezetter gedaan te krijgen dat hij zijn Ronde mocht organiseren. En dat rook volgens dezelfden ook naar collaboratie. Daarbij komt nog dat het dagblad Het Volk met de Omloop van Vlaanderen op de proppen kwam en daarmee de doodsklok over de Ronde van Vlaanderen kwam luiden.

Toch liet Van Wijnendaele zich niet doen. Hij verkreeg zelfs van de Belgische Wielrijdersbond gedaan dat "Omloop van Vlaanderen" moest omgedoopt worden tot "Omloop Het Volk" wegens te felle gelijkenis met de Ronde van Vlaanderen.

Toen een tijd later Het Nieuwsblad-Sportwereld weer verscheen, sneed ook de Ronde van Vlaanderen een tweede leven aan dat werd gekenmerkt door een groeiende internationale belangstelling. Tot dan toe was de Ronde een Belgisch onderonsje geweest, waar een buitenlander een exotisch curiosum was. In 1947 sloegen de organisatoren van de belangrijkste eendagswedstrijden echter de handen in elkaar. Ze riepen de trofee Desgrange-Colombo in het leven. Ze deden dit in de eerste plaats om hun eigen organisaties te beschermen, maar ook om de toppers onder druk te zetten aan alle wedstrijden deel te nemen. Het initiatief miste zijn uitwerking niet. Vanaf 1948, het eerste jaar van de trofee Desgrange-Colombo, kwamen steeds sterkere buitenlandse delegaties op de Ronde af. Samen met Parijs-Roubaix groeide de Ronde van Vlaanderen uit tot de kasseiklassieker van het Noorden. De Ronde werd een monument dat via de opname in de "Superprestige" en daarna in de "Wereldbeker" stelselmatig aan belang won.

"In 1913 was de Ronde een klein, mager, schamel jongetje en werd een reus"; schreef Karel Van Wijnendaele in 1961, het jaar van zijn dood.

Kasseien gevraagd

Tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw had men in Vlaanderen niet het minste probleem om voor de Ronde van Vlaanderen een selectief parcours uit te tekenen. Karel Vanwijnendaele tekende in grote lijnen zijn parcours op een wit blad en duidde de voornaamste doorgangssteden aan, en klaar was kees. De staat van het Vlaamse wegdek was erbarmelijk genoeg om het peloton uit elkaar te slagen.

Desondanks is het een misvatting dat zowat driekwart van het parcours van de Ronde op kassei werd afgelegd. Tot einde jaren vijftig werd zowat de helft van de wedstrijd afgelegd op een fietspad met een wegdek uit grind of asse. Dit was niet echt comfortabel, maar alleszins beter dan de kasseiweg ernaast. Deze kasseiwegen waren niet te vergelijken met de huidige kasseiwegen. De stenen waren grof gekapt, lagen op ongelijke hoogte en ze lagen bovendien ook nog centimeters uit elkaar.

In de periode voor de tweede wereldoorlog werden enkel de grote verbindingswegen verbeterd. Maar na de tweede wereldoorlog begon de economische wederopbouw en de asfaltwoede bij de plaatselijke besturen begon op volle toeren te draaien. Toch zag men geen problemen. De voorraad kasseien was zo groot dat de hij onuitputtelijk leek. Maar na de asfaltering van enkele belangrijke hellingen werd de alarmbel geluid. De organisatoren hadden geen keuze meer. Ze werden in hun zoektocht naar kasseien van de grote wegen weggedreven en ze moesten het veld in. Daar kwamen plots topografische kaarten aan te pas en mensen uit de streek. Als de organisatoren dat niet deden riskeerden ze dat hun wedstrijd op een massaspurt eindigde, en daar waren ze als de dood voor.

Door de zoektocht naar kasseien om het parcours selectief te maken, was het een logisch gevolg dat het aantal hellingen in de Ronde steeds groter werd. Het zwaartepunt van de Ronde van Vlaanderen werd daarmee helemaal naar de Vlaamse Ardennen verschoven. Alleen daar bevonden zich nog genoeg hindernissen de Ronde waardig.

De weergoden

De Ronde van Vlaanderen wordt sinds jaar en dag met rot voorjaarsweer geassocieerd. Het moet bij voorkeur ijzig koud zijn en het water moet met bakken tegelijk uit de hemel vallen. Als daarenboven nog wat smeltende sneeuw en een hagelbui te noteren vallen, dan kan de pret niet op.

De legende van de Ronde van Vlaanderen werd mee door de barre weersomstandigheden gekneed. Toch heeft de Ronde geen patent op slecht weer. Zeker de laatste jaren werden de renners met mooi voorjaarsweer geconfronteerd. Als men alle Rondes beschouwd die reeds gereden zijn, dan is er slechts een derde van alle Rondes die met echt slecht weer geconfronteerd werden.

Het zijn die Rondes waar de regen met bakken uit de lucht viel, of de temperatuur siberisch koud was, die omwille van die weersomstandigheden historisch geworden zijn. De bekendste Rondes met slecht weer zijn die van 1950 en 1951 gewonnen door Fiorenzo Magni. De stunt van Eddy Merckx in 1969, toen hij 70 km alleen in de aanval was, krijgt nog meer waarde door de barslechte weersomstandigheden. In 1985 was het ook bijzonder slecht weer toen Eric Vanderaerden won. Slechts 24 renners bereikten de aankomst. De laatste maal dat de Ronde nog slecht weer meemaakte was in 1989 toen Edwig Vanhooydonck de tegenstand in de prak reed met een snedige demarrage op de Bosberg.

nog 38 dagen en het is zover!
Flanders Classics